Door Arnold de Boer op 6 januari 2017

Hoop voor 2017

Beste leden en geïnteresseerden,

2016. In veler ogen was het een rampjaar, en niet alleen vanwege de talrijke popsterren die ons ontvielen. 2016 zou maar zo de boeken in kunnen gaan als het scharnierjaar waarin het besef massaal indaalde dat er iets serieus aan de hand is. Velen realiseren zich, na jarenlang populistische ontwikkelingen te hebben gezien als een cyclische oprisping van het volk, dat zowel de wereldorde als de democratische welvaartsstaten die we in Europa kennen niet langer vanzelfsprekend zijn. Hoe hiermee om te gaan en hoop te bieden voor 2017 en de lange termijn, in een deel van de wereld waar het welvaartsniveau nog steeds buitengewoon hoog is, de economie na jaren van crisis (op het eerste gezicht) weer opbloeit, en de consensus voor rechtse ‘oplossingen’ lijkt te groeien?

Juist dit contrast tussen pessimisme over de staat van de wereld enerzijds, en het doorgaan van het leven van alledag anderzijds fascineert me. In de Brusselse bubbel is het gemakkelijk om pessimistisch te zijn, maar in Bakkeveen zuipt en feest men nog op oude voet door, en stemt men vervolgens op het CDA (of natuurlijk de Frysk Nasjonale Partij). Wat moeten we daarmee? Hoe vallen die verschillende perspectieven met elkaar te rijmen, hoe urgent is positieve en progressieve politiek eigenlijk, en hoe kunnen we hoop bieden aan de wanhopigen? In dit stuk enkele beschouwingen.

Allereerst een blik iets verder weg, want laten we niet vergeten dat de opkomst van populistisch rechts al even gaande was – in Nederland sinds Pim Fortuyn – en allerminst alleen in landen die we steevast als de ijkpunten voor de westerse democratie beschouwen. Onze blik in het komende jaar enkel op Nederland, Duitsland, Frankrijk en Italië richten zou tot een zeer eenzijdig beeld leiden.

In Centraal- en Oost-Europa bijvoorbeeld, gezien als centrifugale krachten in de EU, zitten momenteel leiders die al jaren succes boeken door zich af te zetten tegen het establishment, met een nationaal-conservatieve agenda, en door vaak in sociaal-economisch opzicht ronduit links beleid te voeren. In Hongarije nationaliseerde Orbán delen van banken en de aanvullende pensioenen en legde hij hogere belastingen op aan banken en telecomsector. In Polen legde de PiS sinds 2015 onder Kaczyński niet enkel vrouwenrechten, het constitutioneel hof en de pers aan banden, maar leverde het ook op verkiezingsbeloften voor sociale uitgaven, zoals subsidieprogramma’s voor arme huishoudens en het terugdraaien van de verhoging van de pensioenleeftijd.

Anders dan door progressieven vaak beweerd wordt leveren deze leiders daarmee wel degelijk op hun beloftes aan de kiezer – of progressieven het nu willen of niet – namelijk in de eerste plaats om hun land terug te veroveren op de liberale, culturele, en politieke elite die zolang zoveel fouten maakte en niet de welvaart bracht die beloofd werd in 25 jaar liberale democratie. En als daarbij hapklare sociale brokken worden voorgeschoteld is hun succes op zijn minst niet verwonderlijk.

Ook in Turkije slaat bij het progressieve deel van de bevolking de wanhoop en depressie toe, nu Erdogan zich steeds verder als alleenheerser ontwikkelt, en het land bovendien geteisterd wordt door de meest verschrikkelijke aanslagen, waarvan de meest recente in de nieuwjaarsnacht een mokerslag toebracht aan het moreel. Een Turkse vriendin van mij beschreef dat ze proberen hun dagelijkse leven op te pakken, in bars af te spreken, te lachen en te drinken, maar dat iedereen tegelijk erg gedeprimeerd en hopeloos is van binnen. Ze lachen minder, praten minder over politiek, en dromen minder over de toekomst. Het doet denken aan de repressieve en lethargische jaren ‘50 in het Oostblok. En het is des te frustrerender om te weten dat de respons op deze aanslag er een gaat zijn die Erdogan enkel verder zal helpen in zijn ongelimiteerde presidentiële macht.

Interessante en belangrijke kanttekening: waar Wilders c.s. op de bres springt voor de liberaal-progressieve verworvenheden (homohuwelijk, gelijkheid man/vrouw, vrijheid van pers en meningsuiting) tegen de moslimhorden, verwijzend naar de Franse Revolutie, ‘beschermen’ Orbán, Kaczyński en Erdoğan hun land nu juist tegen die barbaarse progressievelingen. En ook: waar het ene land fulmineert tegen Brussel, zoekt het andere de EU juist op. Binnen de hechte, eurosceptische Visegrad-coalitie van Tsjechië, Slowakije, Hongarije en Polen vallen inmiddels ook scheuren te ontwaren bijvoorbeeld in de houding ten aanzien van Rusland, die wijzen op agenda’s die primair nationaal zijn.

Wat moeten we hiervan maken? Allereerst zijn de bestaande problemen te complex om ze als een conflict tussen noord en zuid, of juist tussen oost en west te bestempelen. In Europa voeren alle landen momenteel onder druk van – ja wat eigenlijk – primair een nationale agenda uit, wat eerder tot gelegenheidscoalities leidt dan tot structurele verbintenissen.

Ten tweede wil ik kanttekeningen plaatsen bij de neiging om het huidige politieke vacuüm voortdurend toe te schrijven aan de globalisering. Ja de globalisering heeft ons voor grote uitdagingen geplaatst, en ja daar zijn terechte vraagtekens bij te plaatsen wanneer het bijvoorbeeld gaat over verdringing op de arbeidsmarkt. Maar 1) vele ontwikkelingen die hiermee gepaard gaan, zoals migratiestromen, zijn van alle tijden en vereisen altijd een politieke respons en 2) het is een gemakkelijk excuus om de aandacht af te leiden van de concrete vraagstukken die voorlagen en -liggen over deregulering bijvoorbeeld, de pensioenen, en meer in het algemeen de verzorgingsstaat. En als de politiek niet in staat is om dergelijke grote vraagstukken te behappen, dan moeten we vragen stellen bij de democratische besluitvorming als zodanig om correct de verschillende belangen af te wegen en voor het voetlicht te brengen.

Ten derde moeten we eindelijk stoppen de ‘populisten’ als de oorzaak van het probleem te beschouwen. Zij zijn niet het probleem op zich, en het is niet langer adequaat om volksmenners als Wilders, Baudet, Le Pen, Farage, en Trump als populisten weg te zetten. Natuurlijk zijn het rattenvangers die vanuit een pervers opportunisme in hun verkiezingscampagne alles zeggen wat men wil horen. En ik verdenk ze er regelmatig van dat ze zelf eigenlijk verrast zijn door hun succes, en het nationaal-conservatieve frame uitbuiten in een walgelijk experiment met de kiezer.

We moeten die leiders blijven bestrijden, hen bevragen op zowel hun analyses als hun oplossingen, dat staat buiten kijf. Maar we mogen nooit vergeten dat de zorgen waarop zij mensen aanspreken vaak terechte zorgen zijn, en dat de schijnoplossingen die ze bieden snelle-hap-remedieën zijn voor serieuze problemen waarvoor sociaaldemocraten al te vaak mede-verantwoordelijkheid dragen. Daarom moeten we misnoegde burgers serieus nemen als die het gevoel hebben grip te verliezen, en niet vergeten dat de ‘populisten’ voor hen wel degelijk leveren op hun beloften: namelijk de belofte om het gevoel van zekerheid terug te geven. De term ‘populist’ werkt helaas denigrerend naar de kiezer die allerminst racistisch maar bovenal bezorgd is. Als hoeders van de verzorgingsstaat en de corrigerende rol van de overheid hadden sociaal-democraten het belang ervan moeten inzien voor het welzijn van mensen en de perspectieven die het bood aan zovelen die anders achterbleven.

En net dáárom moeten sociaal-democraten nu weer aan identiteitspolitiek moeten gaan doen, én nieuwe perspectieven creëren. Wanneer nationaal-conservatieven, de zelfverklaarde hoeders van het vaderland, meer beloftes doen op het vlak van sociale en culturele identiteit dan dat ze concrete programma’s opstellen, dan zullen progressieven hun eigen visie op dat vaderland moeten bieden.

Asschers ‘progressief patriottisme’, dat poogt nationale (geen nationalistische!) trots op de verzorgingsstaat en andere politieke verworvenheden (gelijke kansen, rechtsstaat etc.) te creëren, moet dan ook van harte worden verwelkomd. Maar laat het dan wel echt progressief zijn door bijvoorbeeld in te zetten op radicale verduurzaming van economie en samenleving, en niet enkel de verzorgingsstaat proberen te herstellen precies zoals die was. Een hernieuwde ‘identiteitspolitiek’ zal gepaard moeten gaan met het bouwen van nieuwe vergezichten op links. Dit moet verder gaan dan het herijken van waarden, omdat sociaal-democraten naast een sterke verankering ook altijd concrete vooruitzichten boden, zoals ook de verzorgingsstaat ooit ver weg leek.

In zijn kerstessay op De Correspondent maakte Rob Wijnberg een rake analyse over de teloorgang van het vooruitgangsdenken als gevolg van de druk op de verzorgingsstaat. Maar ook deed hij hierin enkele voorstellen voor duurzame vergezichten die perfect in een sociaal-democratisch narratief passen. En dit vereist dat we buiten onze comfort zone treden en nieuwe punten aan de horizon stellen die antwoorden op uitdagingen als migratie, klimaatverandering, en vergrijzing. De doelen moeten ambitieus en concreet zijn (wanneer is Nederland energieneutraal?) en gaan over duurzaamheid, de verzorgingsstaat van de toekomst, hoe we in de toekomst ons geld willen verdienen, over migratie, en ook over de democratie als zodanig, omdat de burger in deze tijden andere verwachtingen heeft van politici, van vertegenwoordiging, en van besluitvormingsprocessen. Hier zullen we snel aan moeten werken.

Die vergezichten moeten het antwoord bieden op wat we aldoor populisme noemen: de creatie van een eigen verhaal, voorbij het bestrijden van het nostalgische, onrealistische en bedrieglijke beeld dat door anderen wordt geschetst. Om zo zelf de toekomst vorm te geven, voordat die door anderen op destructieve wijze wordt gekaapt.

En wellicht is die noodzaak tot nieuwe perspectieven het raakvlak met Bakkeveen, waar het leven zijn gangetje wel gaat. Ik ben ervan overtuigd dat het schouderophalen onder Nederlanders over progressieve politiek deels te maken heeft met een rotsvast vertrouwen in ons vermogen om met hard werken het tij te doen keren. Maar dat zal niet vanzelf gaan, en rechts zal zeker niet thuis geven. Laat links dus weer vergezichten bieden. Alleen dan is er hoop voor de sociaal-democratie.

Fijn 2017!

Arnold de Boer, secretaris